Interview Hans Bourlon

Hans Bourlon studeerde Latijn-Grieks bij de jezuïeten in Aalst. Hij studeerde filosofie in Brussel, Leuven en Gent en ervoer zo de verzuiling aan den lijve. Na een incubatieperiode bij de nationale omroep richtte hij samen met Gert Verhulst en Danny Verbiest Studio 100 op. Hij ziet ernstige tekortkomingen in de eenzijdige en al te abstracte opleiding tot wijsgeer, en roept op om jongen mensen tijdens hun opleiding warm te maken voor het ondernemerschap.

bio
Hans Bourlon

W: Welke unieke eigenschappen maakt een filosoof geschikt op de arbeidsmarkt?

H: Het is heel moeilijk om uit te vissen wat een mens concreet beïnvloed heeft. Als men mij vraagt wat mijn stijl bepaalt dan zou ik eerder verwijzen naar mijn activiteiten bij de scouts en naar mijn ervaring als reserveofficier. Hier kreeg ik de leiding over een groep rekruten, en dat is absoluut niet evident. Ik heb mijn legerdienst gedaan bij de medische dienst en heb ook kampen en manoevers gedaan in Duitsland. Daar leer je hoe je best leiding geeft aan mensen en wat de methodieken zijn om dat te doen.

W: Was die legerdienst voor of na de studie filosofie?

H: Die legerdienst was na de studie, de scouts was overlappend. Ik zou daarbij overigens nooit zeggen dat mijn studie filosofie dit of dat bepaald heeft. Wat ik wel merk is dat ik iemand ben die altijd makkelijk tot theorieën kom, strategieën verwoord, dus op een of andere wijze abstraheer. Maar ik ben er me wel van bewust dat theorieën een bedrijf niet vooruit stuwen, dat dit vaak reflecties achteraf zijn. Persoonlijk huiver ik van abstracties die moeten leiden tot nieuwe beslissingen. Er zijn veel bedrijven overkop gegaan omdat zij grote theorieën vooropstelden en vanuit dat kader gingen ondernemen. Ik ben iemand die er meer van houd om te ondernemen met trial en error. Dit is ook de stijl van ons bedrijf.

Je probeert iets, je doet iets, je kijkt, je luistert, je ziet wat werkt en waarom het werkt, en je volgt die weg verder of niet. Dit probeer je beter te doen en te optimaliseren en zo bepaal je een richting. Achteraf kijk je om en plak je daar een theorie op. Een heel praktisch voorbeeld: als je een oud themapark overneemt - wat we twee keer gedaan hebben: het oude Melipark en Holiday Park in Duitsland een aantal jaar geleden - dan probeer je eerst te kijken wie de mensen zijn die er komen. Als ze binnenkomen, gaan ze naar links of naar rechts? Wat eten ze, wat drinken ze? Waar ga je een keuken maken of de toiletten plaatsen? Je zou dan een heel abstracte studie kunnen maken over het leisure-gedrag vandaag de dag. Dat is allemaal tof maar op basis daarvan ga je niet ondernemen.

Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik een bijzonder slechte filosofiestudent was. Mijn keuzevakken heb ik gedaan in de Germaanse. Literatuur interesseerde mij eigenlijk veel meer omdat dat praktischer is, dat gaat vaak over mensen in hun persoonlijk leven. Ik heb mijn studie trouwens niet voleind. Ik ben in Brussel naar de kandidaturen gegaan, en ben dan in de licenties aan de meet gesneuveld. Ik heb nooit een eindwerk ingediend en dat was het einde van mijn studie.

W: Komt dat omdat u een verkeerd beeld had wat die studie zou inhouden, of hoe ben u er toe gekomen om filosofie te studeren?

H: Ik heb Latijn-Grieks gedaan bij de jezuïeten in Aalst, een heel abstracte vorming. Ik had het gevoel dat filosofie voor mij de enige optie was. Dat klinkt misschien bizar en ik weet niet meer wie me dat aangepraat had, maar ik zag niet in wat ik anders zou kunnen doen. Toen ik aan de toenmalige Ufsal begon te studeren was mijn verwondering dan ook groot dat wij maar met 4 mensen in die richting zaten. En in de maand april was ik nog alleen. (lacht)

Ik moet wel zeggen dat die interesse daarna afgekalfd is. In de wijsbegeerte worden vaak een aantal abstracte terminologieën geïntroduceerd en daar gaat men dan wiskunde mee plegen. Waar ik achteraf gezien vind dat mijn abstracte opleiding zwaar tekort geschoten is, is dat ik niet 1 uur boekhouding heb gehad, niet 1 uur economie, niet 1 uur financiële wetenschappen. Ik ben al deze dingen achteraf gaan bijstuderen en probeer nog steeds jaarlijks een cursus te volgen. Meestal volg ik dan opleidingen om bedrijfsmatig mee te kunnen, of toch om op zijn minst een klankbord te kunnen zijn voor financiële mensen. Dat is niet evident geweest, en ik vind dat zo’n opleiding daar tekort schiet. Iedereen krijgt in zijn leven met zulke zaken te maken.

Er is ook niemand die tegen mij gezegd heeft: ‘Zou je eens niet in overweging nemen om ondernemer te worden?’ Dat is bij ons pas achteraf gekomen na een nogal lange periode bij de nationale omroep. Het gebeurt wel vaker in Vlaanderen dat mensen tot ondernemen komen na een incubatieperiode in een bepaalde sector of via een spin-off van de universiteit. In Amerika gaat men van school en begint met direct te ondernemen. Mislukken in ondernemen wordt daar als een positief iets ervaren. Dat is bij ons dan weer anders. In die zin heb ik eigenlijk nogal wat opmerkingen bij die opleiding.

W: Aan de Belgische universiteiten wordt te weinig de link gelegd naar het bedrijfsleven, in de USA gebeurt dat al veel meer?

H: Ik ben geen kenner van het Amerikaanse schoolsysteem, maar ik stel wel vast dat niemand mij er indertijd op geattendeerd heeft om te ondernemen. Ik kom uit een familie van boekenlezers. Ook daar was niemand die zei: ‘Zou je eens niet wat gaan ondernemen.’ Ik ben daar dus pas op latere leeftijd - al diep in de twintig - toe gekomen. Ik ben er heilig van overtuigd dat onze welvaart enkel kan komen van mensen die ondernemingsgezind zijn. En die dingen vastpakken en het verschil proberen te maken. De ontwikkeling van de iPhone of de iPad bijvoorbeeld. Zoiets komt vanuit privéondernemerschap. De technologische vernieuwingen die we vandaag in onze maatschappij zien, komen van ondernemende mensen. Ik vind dat daar in het onderwijs niet genoeg op gewezen kan worden.

W: Een abstracte studie als filosofie staat misschien wat verder van die praktische instelling die een ondernemer moet hebben. Vindt u dat minder waardevol als studie?

H: Ik zou het niet makkelijk hebben om zo’n abstracte studierichting te aanvaarden, denk ik. Dit antwoord valt je misschien tegen?

W: Dit interview kadert in een zoektocht naar het antwoord op enkele vragen waarmee ik zit, maar ik heb op voorhand geen antwoorden in gedachte waar ik u naartoe probeer te leiden.

H: Wat mij toch nog altijd bijblijft van die periode, is het volgende: na mijn kandidaturen in Brussel ben ik naar Leuven gegaan. Daar zat ik voor sommige vakken - bij wijze van spreken - tussen de pastoors. Daarna heb ik de overstap naar Gent gemaakt, waar ik eigenlijk in het bastion van de vrijzinnigheid terechtkwam. Ik herinner me nog altijd een van de eerste lessen die ik daar kreeg. Het was een les van professor Van Den Ende - de man is ondertussen overleden. Zijn openingszin was: ‘Waarom leven wij? Omdat onze ouders geknoeid hebben.’ Het verschil met Leuven was gigantisch. ‘Mensenlief wat is dit’, dacht ik. Dit duidde heel erg op het verzuilde Vlaanderen van toen.

Ik vermoed dat dat verschil vandaag minder groot is in die opleidingen, maar het was wel leerrijk om van het ene bad in het andere terecht te komen. Komend uit een traditionele klassieke jezuïetenopleiding, heb ik daar toch wel een zekere breeddenkendheid aan overgehouden. Ik schrijf nu al enkele jaren een tweewekelijkse columns in de Tijd. Mensen zeggen me altijd dat die heel filosofisch zijn. Waarschijnlijk heeft die studie toch meer invloed op mij gehad dan ik ooit gedacht had.

W: Misschien nog een laatste vraag. Welk imago hebben filosofen op de werkvloer. Als er iemand met een diploma filosofie komt solliciteren, welk beeld en verwachtingen heeft u van zo iemand.

H: (lacht) Om te beginnen is er bij mij nog nooit iemand met een filosofieachtergrond komen solliciteren. Het eerste waar ik in een CV naar kijk is of ik een consequente carrière terugvind. Zijn mensen trouw geweest aan een bedrijf voor langere periode? Hebben ze er een evolutie doorgemaakt? Sommigen worden op een gegeven moment teruggevraagd door een bedrijf. Dat zijn allemaal zeer goede tekens waar ik op let. Andere zaken waar ik naar kijk wat betreft opleiding of jeugd, is of zij engagementen opgenomen hebben, ondernemend zijn geweest. Of ze bijvoorbeeld hoofdleider van een scoutsgroep zijn geweest. Dat soort zaken zijn voor mij zeer doorslaggevend. Ik kijk eerlijk gezegd iets minder naar de gevolgde studie. Mensen die bij ons trekkers zijn en belangrijke pionnen in het bedrijf, zijn daarom niet de hoog gediplomeerden. Met Studio 100 zitten we natuurlijk wel in de creatieve sector. Als je geneeskunde of ingenieur studeert is dat anders.

W: Wilt u zelf graag nog iets toevoegen of is er een vraag die u verwacht had, maar die ik niet gesteld heb?

H: Voor mij is dat een ver verleden waar je op terug komt. Maar het is altijd goed om daarover eens te reflecteren. In de pers worden mensen die filosofie gestudeerd hebben wel eens geïdealiseerd. Bij Hugo Matthijssen en Jan Leyers is dat gebeurd. Alsof je dan een heel bijzonder mens bent. Ik geloof daar niet zo in.
Er zijn heel wat tekortkomingen in die opleiding. Ik blijf erbij dat ze te eenzijdig is, te abstract. Geen financiële wetenschappen, geen boekhouding, geen economie. Zeg op tijd tegen mensen dat ze ondernemend kunnen zijn. Dat ze dingen kunnen vastpakken in onze maatschappij. Dat er veel mogelijkheden zijn om zoiets te doen.

W: Ik ben op zoek naar mensen met een verschillende visie op de studie filosofie, en dit is alvast een heel andere visie dan die mijn vorige gesprekspartner Wim Oosterlinck.

Bedankt voor dit gesprek meneer Bourlon.